Artikel

Weversbergen


Bosbeheer in discussie: hoe is het de Weversbergen in dertig jaar vergaan?

Samen met bosreservaat de Imbosberg behoort Weversbergen tot het beste wat Nationaalpark Veluwezoom aan natuurbos heeft te bieden. Maar bezie het in perspectief, er zitten lichtjaren tussen deze beide bossen en het betere werk in bijvoorbeeld Engeland of Duitsland. Maar wat niet is kan met het juiste beheer zeker nog komen. Niets-doen is een optie, maar heeft onder meer als bezwaar dat bij het ontbreken van grote bosbegrazers de processen zich onevenwichtig en eenzijdig afwikkelen. Zo’n bos groeit zich al snel vanzelf dood, wordt dichter en verarmd. Voorbereidende ingrepen in de vorm van natuurtechnisch bosbeheer, denk aan omtrekken, kan de uitgangssituatie sterk verbeteren en creëert tevens een betere bosstructuur. Eventueel aangevuld met het herintroduceren van ontbrekende soorten - er is een wereld te winnen van wilde appel tot elsbes - en zelfs dood hout.


De Imbosberg heeft het tij mee, er komen veel edelherten, zwijnen en runderen, in Weversbergen is dat niet (runderen) of minder (edelherten) het geval. Maar altijd bij dit type bossen kan omvormingsbeheer - we spreken beter van natuurtechnisch bosbeheer - de eerste ontwikkeling naar natuurbos een flinke duw in de rug geven. Op de Imbosberg zijn geen maatregelen van dit type getroffen, op Weversbergen wel, zoals uit het volgende artikel zal blijken, zij het dat dit daar slecht is uitgevoerd.

Binnen Stichting Kritisch Bosbeheer (SKB) heeft natuurtechnisch bosbeheer sinds de jaren zeventig van de vorige eeuw een krachtige ontwikkeling doorgemaakt. Aanvankelijk, zo rond midden jaren tachtig, zijn daarvoor de eerste aanzetten op schrift verschenen in de publicatie „Natuurbos in Nederland”. In enkele particuliere voorbeeldbosjes is het maximale bereikt van de omvorming van saai eenvormig bos naar relatief gevarieerd en structuurrijk natuurbos. In één geval op een plek van saaie droge heide naar een voor die omstandigheden een gevarieerd en structuurrijk bos, waar oude bomen en kleine verjongingsvlakten elkaar afwisselen en in het tweede voorbeeld van een restje markebosje op heide naar eveneens een potentieel natuurbos. Mogelijk zijn beide objecten eens in georganiseerd verband voor liefhebbers een bezoek waard.

Dit artikel gaat nu verder met Weversbergen. Het gevoerde bosbeheer nu in de Weversbergen is dus allesbepalend voor de natuurkwaliteit in de nabije en verre toekomst. Natuurtechnisch bosbeheer is daarbij in het geval van Weversbergen zeker te verdedigen. De verwachtingen en potenties van Weversbergen maakte dat SKB het bos al geruime tijd nauwgezet volgt. Dat leidde dertig jaar geleden al tot discussies en verschillen in opvattingen met de terreinbeheerder Natuurmonumenten. Aan het eind van de tachtiger jaren leidde dat bij SKB tot verontwaardiging bij voorgenomen ingrepen, die meer het karakter hadden van een houthandel dan van natuurtechnisch bosbeheer. Er volgenden gesprekken en we kwamen met de beheerder overeen om de reeds aangevangen houtkap voor minstens een jaar te staken om onze visies op elkaar af te stemmen. Dat leidde tot een gezamenlijk document in het toenmalig Nederlands Bosbouwtijdschrift, dat door een misverstand onvolledig werd gepubliceerd, terwijl tot onze ontzetting de beloofde stopzetting van de kap door de districtsbeheerder, de heer Lichthart, door zijn bestuur genegeerd en waarbij de kap al na enkele weken weer werd hervat.

Hieronder het later alsnog gepubliceerde artikel (1) met daarna in korte schetsen bij foto’s het vervolg van de (bos)ontwikkelingen in Weversbergen tot heden.

We starten met een beperkte reeks foto’s en zullen er later nieuwe aan toevoegen. Indien gewenst staan we open voor toevoegingen in beeld en/of tekst van onze lezers.

De smalle foto hierboven is begin jaren negentig gemaakt.



Door: *Han Gorgels, *Ruud Lardinois, *Hans van den Bos en **R.H. Lichthart
*Stichting Kritisch bosbeheer **Inspecteur Natuurmonumenten

Dit artikel (uit 1991) is op 25-11-2010 geplaatst



Bosbeheer in discussie
Zet twee bosbouwers in het bos bij elkaar om bijvoorbeeld over een dunning te praten en je kan de klok erop gelijk zetten dat de meningen verschillen. Toch verheldert een goede discussie de meningsvorming meestal. In dit artikel gaat het tussen de Stichting Kritisch Bosbeheer en Natuurmonumenten. Of de beheerder Natuurmonumenten door deze discussie een betere afweging kan maken is aan u ter beoordeling.

Natuurmonumenten kent bossen met een doelstelling zelfregulatie. Het beheer is o.a. gericht op het handhaven en verkrijgen van levensgemeenschappen die worden gekenmerkt door zelfregulatie. Samenstelling en structuur van deze bossen worden bepaald door de plaatselijke abiotische en biotische omstandigheden en door de processen die zich binnen deze levensgemeenschappen afspelen. Menselijke ingrepen zijn alleen toegestaan om verstorende invloeden vanuit de omgeving te weren. Als de verscheidenheid aan soorten van planten en dieren of structuren zal afnemen, al of niet tijdelijk, zal dat geen aanleiding mogen zijn tot het nemen van maatregelen. Slechts als, tegen de verwachtingen in, het duurzaam voortbestaan van het bos in gevaar komt zal bezien moeten worden, of het nemen van maatregelen dan wel overschakelen naar een andere doelstelling geboden is. Indien wettelijk verplichte maatregelen in strijd zijn met het genoemde beheersdoel, zal worden gestreefd naar ontheffing van die verplichtingen.


Zelfregulerend bos in Hagenau
Het heeft alleen zin om tot de doelstelling zelfregulatie over te gaan als er perspectief is dat het voorgenomen beheer (uiteindelijk niets doen) het gewenste resultaat zal opleveren en langdurig kan worden voortgezet. De kans daarop is het grootst als aan de volgende voorwaarden redelijk kan worden voldaan: het gebied moet een aaneengesloten oppervlakte hebben, die zo groot is dat daarbinnen ruimschoots alle stadia en variaties daarin van de te verwachten successie tegelijk kunnen voorkomen; de abiotische uitgangssituatie in het gebied dient bij voorkeur niet in overwegende mate door direct menselijk handelen te zijn verstoord; de ligging van het gebied dient zodanig te zijn, dat ongunstige beïnvloedingen vanuit de omgeving niet aanwezig zijn of in voldoende mate door het beheer kunnen worden geweerd. Binnen de oppervlakte aangewezen voor zelfregulatie zal vaak een groot deel van de bossen niet onmiddellijk aan zichzelf kunnen worden overgelaten. In de eerste plaats moeten uitheemse boomsoorten, zeker indien zij zich spontaan verjongen, worden verwijderd. Daarnaast is doorgaans de structuur van die bossen te kunstmatig. Deels bestaan de bossen uit uitheemse boomsoorten die recent door de mens geïntroduceerd zijn en die zich soms sterk via natuurlijke verjonging uitbreiden. De opstanden zijn voorts gelijkjarig, eenvormig, vaak ongemengd en van een vorm en grootte die door het beheer zijn bepaald ten dienste van een rationele bosexploitatie. In deze percelen zal dan ook nog meer of minder lang sturend door de beheerder worden ingegrepen teneinde structuur en samenstelling geleidelijk zo te krijgen dat het geheel achterwege laten van beheersmaatregelen voldoende perspectief biedt voor het via zelfregulatie tot stand laten komen van een mozaïekstructuur van de verschillende ontwikkelingsfasen van het bos van de inheemse ter plaatse thuishorende boomsoorten. Gedurende deze periode is z.g.. overgangsbeheer noodzakelijk. In de reeds in 1986 door Natuurmonumenten vastgestelde beheersrichtlijnen valt te lezen dat het beheer in het Nationaal Park Veluwezoom, voor een groot deel van het totale bosoppervlak, zal zijn gericht op behoud en ontwikkeling van levensgemeenschappen die gekenmerkt worden door zelfregulatie. Dit is o.a. het geval in een deel van de bossen van Hagenau, waarvan de Weversbergen deel uitmaken. In het beheersplan Hagenau, dat in 1989 is gereedgekomen, is dit beheer nader uitgewerkt. Het ca. 35 ha grote boscomplex De Weversbergen is een zeer reliëfrijk terreinonderdeel. De bodem is deels een ooivaaggrond in Iössleem en deels een haarpodzolgrond in zwak lemig fijn zand. De ooivaaggronden zijn mineralogisch rijke, goed vochthoudende gronden die gemakkelijk tot grote diepte worden doorworteld. De haarpodzolgronden zijn voor Veluwse begrippen redelijk goede bosgronden, maar beduidend minder rijk en minder vochthoudend. Het grootste deel van het bos bestaat uit beuken van 90 - 120 jaar oud. Een deel van de beukenbossen bestaat uit mengingen met vooral grove den en zomereik. Plaatselijk zijn meer of minder grote opstanden van uitheemse naaldboomsoorten aanwezig. De eigenschappen van de beuk, de leeftijd en het tot nu toe gevoerde beheer zijn bepalend voor het huidige beeld van dit bostype: een hoog opgaand (34 meter), nogal uniform zuilenbos met een gesloten kronendak. Tot nu toe zijn overwegend laagdunningen uitgevoerd, waarbij de dunningsintensiteit vrij laag is geweest. Dit heeft geleid tot bossen met een relatief hoog stamtal en een hoge voorraad. De gemiddelde voorraad voor Hagenau bedraagt 602 m3/ha. Er is thans sprake van een bos met een weinig gevarieerde verticale structuur van heersende en medeheersende bomen met kleine kronen, terwijl er slechts een gering aantal kleine natuurlijke verjongingsvlakten aanwezig is. Het aandeel dood hout is bovendien gering als gevolg van de goede vitaliteit van het bos en het tot voor kort gevoerde beheer waarbij dode bomen consequent zijn verwijderd. De afgelopen jaren hebben takbreuk en windworp geleid tot een aandeel dood hout van minder dan 1% op dit moment.

In tegenstelling tot Kritisch Bosbeheer is Natuurmonumenten van mening dat het beter is dit type bos niet zonder meer aan haar lot over te laten; in eerste instantie is een overgangsbeheer noodzakelijk. Het tot nu toe gevoerde beheer heeft immers geleid tot het bovenbeschreven bos van middelbare leeftijd dat zich in de boomfase bevindt en niet, zoals Kritisch Bosbeheer meent, in de vervalfase. Op deze rijke gronden moeten beuken toch zeker een leeftijd van 250 jaar kunnen bereiken!





De vereniging heeft zich voorgenomen het overgangsbeheer binnen tien jaar in 2 à 3 fasen uit te voeren. In de bijgevoegde figuur is een beeld geschetst van de uit te voeren beheersmaatregelen en het uiteindelijke resultaat. In eerste instantie gefaseerd om al te grote schokeffecten te voorkomen zullen alle exoten worden verwijderd. Bovendien zullen de aanwezige en nog vitale lichtboomsoorten, zoals eik, grove den en berk, worden vrijgesteld om ze zo lang mogelijk in het systeem te kunnen handhaven. Ook hierbij wordt stapsgewijs te werk gegaan, vooral ook om voor de eik de vitaliteit niet al te nadelig te beïnvloeden, door een te plotselinge algehele lichtstelling. Bij dunning wordt de volkomenheidsgraad die thans 1 bedraagt - teruggebracht tot 0,75 (er wordt zo gewerkt dat plaatselijk de volkomenheidsgraad 1 blijft, terwijl op andere plaatsen een volkomenheidsgraad van 0,5 wordt nagestreefd). Hiermee wordt een situatie gecreëerd voor een bos met mogelijkheden voor het op gang brengen van de natuurlijke verjongingsprocessen. Bij het blessen is aansluiting gezocht bij reeds bestaande verjongingsplekken. Bij een volgende ingreep zal dit wederom het geval zijn, opdat de verjonging zich gevarieerd in ruimte en tijd zal kunnen ontwikkelen. De bijgevoegde Tabel geeft de gemeten situatie weer in een 6-tal proefvlakken. Uit deze bijlage blijkt ook dat het aandeel dood hout, dat thans minder dan 1 % bedraagt, na dunning 5,5% van het grondvlak zal beslaan. Bij de volgende dunning zal het aandeel dood hout op eenzelfde wijze verder worden verhoogd. Concluderend kan worden gesteld dat de nu voorgenomen maatregelen goed passen als overgang naar de te verwezenlijken doelstelling zelfregulatie. Ze werken structuur-verrijkend, het aandeel uitheemse soorten wordt in eerste instantie ruimschoots gehalveerd om uiteindelijk tot nul te worden teruggebracht, terwijl het percentage dood hout aanzienlijk wordt verhoogd.






De bossen van Hagenau op weg naar natuurbos?
In het Nationale ParkVeluwezoom liggen de bossen van Hagenau, sinds de eerste aankopen in 191 1, in bezit en beheer bij de Vereniging tot Behoud van Natuurmonumenten. Deze natuurbeschermingsorganisatie heeft daar onlangs 192 ha aangewezen tot bos met zelfregulatie en 257 ha tot bos met zogenoemd integraal bosbeheer. De laatste beheersvorm onderscheidt zich ten opzichte van traditioneel bosbeheer vooral door de planmatige introductie van natuurlijke verjonging. Voor het overige blijft het in beheersplannen vastgelegde voornemen gehandhaafd de bomen individueel te verzorgen met het doel deze uiteindelijk weer om te zagen. Stichting Kritisch Bosbeheer is zeer ingenomen met deze ruimtelijke scheiding van productie- en natuurfuncties. Samenvoegen van beide functies leidt onontkoombaar tot verminderde functievervulling. Op weg naar de nieuwe beheersvormen is omvormingsbeheer wenselijk. In dit artikel wordt de discussie over omvormingsbeheer van bos naar natuurbos gevoerd aan de hand van een concreet voorbeeld: de Weversbergen, het hart van het tot zelfregulatie bestemde bos. Dit jaar zijn in de Weversbergen bomen geblesd met de kennelijke bedoeling deze af te voeren. De geplande ingreep lijkt voor ons niet veel anders dan een 'normale' dunning. Om deze reden hebben wij contact opgenomen met Natuurmonumenten. Het onderliggende artikel is hiervan een voortvloeisel.De visie van de Stichting Kritisch Bosbeheer op zelfregulatie De Stichting Kritisch Bosbeheer (SKB) is ontstaan in 1974 uit onvrede met het toenmalige (en vaak nog huidige) bosbeheer. Natuurbosbeheer en bosbeheer gericht op productie moest zo worden dat spontane natuurlijke processen veel sterker het beeld van bossen zouden bepalen dan menselijke ingrepen. Het bos moest door de natuur ingericht worden, niet door mensen. De auteurs van dit verhaal zijn allen betrokken bij de Stichting. Volgens SKB is in principe ieder terrein geschikt om als natuurbos of bos met als doel zelfregulatie te worden aangewezen. Wellicht is het oppervlak de enige beperkende factor. We willen daarmee zeggen dat we vertrouwen hebben in natuurlijke processen. De Stichting Kritisch Bosbeheer streeft na dat in Nederland in zoveel mogelijk terreinen een zo volledig mogelijk ecosysteem met de daarbij behorende processen aanwezig is.


Natuurlijke processen en aanwezigheid van soorten: een spiraal
Natuurlijke processen geven leefruimte aan planten en dieren. Door concurrentie of voedselgebrek sterft een dier of plant. Van dode dieren of planten leven andere soorten: deze worden gegeten ..., enzovoorts. Vele soorten ontbreken op dit moment door de geringe variatie aan natuurlijke processen. Het zijn vooral die soorten die door hun leefwijze afhankelijk zijn van dood hout of dode dieren. Maar ook planten en dieren die afhankelijk zijn van een grote variatie in de structuur van het bos. Omgekeerd zijn bepaalde organismen noodzakelijk om natuurlijke processen te laten verlopen. (Her)introductie of vergroting van het leefgebied van planten en dieren en het weer op gang brengen van verstoorde kringlopen is dan ook belangrijk bij het streven naar en bereiken van een zo duurzaam en compleet mogelijk systeem.


Natuurmonumenten en zelfregulatie
Natuurmonumenten geeft in haar doelstellingennota een definitie van zelfregulatie waar wij volledig achter kunnen staan: "Samenstelling en structuur worden bepaald door de plaatselijke abiotische en biotische omstandigheden en door de processen die zich binnen deze levensgemeenschappen afspelen". De auteurs zijn verheugd over het feit dat een bos als de Weversbergen als zelfregulatiegebied is aangewezen. Er zijn in ons land weinig bossen te vinden met een primair natuurgericht beheer. De Weversbergen biedt in dit opzicht grote kansen. Natuurmonumenten en de Stichting Kritisch Bosbeheer verschillen van mening hoe, uitgaande van de huidige situatie, de doelstelling zelfregulatie het best gerealiseerd kan worden. Het is jammer dat een natuurbeschermingsorganisatie als Natuurmonumenten op de Veluwezoom pas nu en niet een veel groter gebied voor zelfregulatie heeft aangewezen. Een ander bezwaar is gelegen in de wijze van omvormen die Natuurmonumenten gekozen heeft. Hierover gaat de navolgende discussie. Ons verhaal valt uiteen in vier delen:

1. Wat is het doel van omvorming?

2. Wat voor bos is Weversbergen?

3. Hoe wil Natuurmonumenten omvormen in de Weversbergen gelet op de gebleste bomen in de Weversbergen?

4. Wat zijn hiervan de gevolgen met het oog op zelfregulatie?



Maatstaven voor de wenselijkheid van omvorming
Het doel van omvorming is volgens de auteurs het verkrijgen van een goede uitgangspositie voor het bos vanaf het moment dat menselijke ingrepen niet meer plaats vinden. Deze goede uitgangspositie moet aan enige voorwaarden voldoen (de volgorde is toevallig):

1. Aanwezigheid van verscheidene structuur beïnvloedende of -bepalende soorten;

2. Aanzienlijke variatie in ontwikkelingsfasen binnen het bos;

3. Afwezigheid van ongewenste soorten (in casu agressieve exoten);

4. Dood hout moet in redelijke mate (bijvoorbeeld 20% in de beginfase) aanwezig zijn om de vaak ontbrekende of kwijnende populaties van mineraliserende soorten weer op gang te brengen. Hiermee wordt de natuurlijke kringloop van stoffen positief beïnvloedt. Natuurlijke processen zijn onder andere van deze kringloop afhankelijk;

5. Aanwezigheid van horizontale en verticale variatie;

6. Introductie van ontbrekende inheemse soorten;

7. Herstel van natuurlijke (selectie) processen (natuurlijke verjonging en sterfte in tegenstelling tot aanplanten, verplegen, vrijstellen, vellen en afvoeren). Bij het beoordelen van een bos op de noodzaak tot omvorming als voorbereiding op zelfregulatie moeten de bovenstaande aspecten bepalend zijn.



Beschrijving van het terrein en het bos
De Weversbergen is een gebied dat vanuit de Middeleeuwen als bos bekend is. Het is een bos op twee bodemtypen (ooivaaggrond in zandig leem en haarpodzol in leemarm/zwak lemig zand). In een groot deel van het gebied is de beuk aspectbepalend. De huidige generatie beuken is 90 tot 120 jaar oud. Op andere plaatsen bestaat de kroonlaag uit grove den. Het gebied is deels sterk geaccidenteerd.

In het deel waar de beuk aspect bepalend is, is sprake van een zuilenbos. De beuken verschillen nogal in vorm en vitaliteit. Er zijn bomen die op dit moment duidelijk dominant zijn ten opzichte van de omringende bomen, er zijn kwijnende bomen (10%) en er sterven bomen. Er is natuurlijke verjonging van beuk op open plekken. Van de afgestorven bomen is tot in dit jaar hout afgevoerd. Op enkele plekken wordt de beuk afgewisseld door groepen fijnspar. Ook deze verjongt zich goed. Het bosdeel waar grove den aspectbepalend is valt uiteen in twee delen. Het ene groeit op zandige leem en heeft een ondergroei van eik en beuk. Het is zeer waarschijnlijk dat in de toekomst beuk hier de dominerende soort zal worden. Het andere staat op leemarme zandige bodems: waarschijnlijk zijn eik, berk, grove den, taxus, hulst en lijsterbes hier blijvend aanwezig. In het bos komen edelherten, wilde zwijnen en reeën voor. leder van deze soorten is tot op zekere hoogte in staat de bosstructuur te beïnvloeden door bodemwoeling of vraat. De bodem in Weversbergen is plaatselijk sterk omgewoeld: de intensiviteit van de vraat is niet zodanig dat natuurlijke verjonging geen kans krijgt om uit te groeien tot volwassen bomen.

In het beukenzuilenbos is nauwelijks sprake van ondergroei van kruiden of mossen: schimmels gedijen goed op de kwijnende en dode bomen. In de grove dennenopstanden is een grotere rijkdom aan kruiden (bosbes, bochtige smele, varensoorten).


Weversbergen en omvorming
Bij de beschrijving hiervan wordt steeds teruggegrepen naar het gedeelte van de tekst met als hoofd: Maatstaven voor de wenselijkheid van omvorming.


1. Aanwezigheid van structuurbeïnvloedende en structuurbepalende soorten.
Volgroeide bomen van wintereik, linde en haagbeuk hebben wij niet aangetroffen. Introductie van de laatste drie soorten lijkt zeer zinvol. Introductie van grote grazers in dit bostype is nu niet zinvol. De primaire productie is alleen in de vorm van kleine oppervlakten natuurlijke verjonging voor grote grazers bereikbaar. In de herfst komt daar in de vorm van beukennootjes tijdelijk een aanvulling. Alleen als onderdeel van een groot begrazingsgebied lijkt dit bostype zich te lenen voor de aanwezigheid van grote grazers. Introductie van andere soorten dan de hier genoemde is aan te bevelen: zeker in een later stadium.

2. De ontwikkelingsfasen van het bos
In het zuilenbos van Weversbergen zijn de bomen nogal ongelijk wat betreft hun vitaliteit en vorm. Voorts is plaatselijk de natuurlijke verjonging van beuk op gang. Op grond van het bovenstaande is volgens de auteurs een ingreep om de verschillen in vitaliteit van de bomen te vergroten niet nodig.

3. De aanwezigheid van agressieve exoten
Van de soorten die hieronder meestal genoemd worden is alleen fijnspar in grote hoeveelheid aanwezig. Tamme kastanje is ook aanwezig, maar deze soort gedraagt zich op dit moment niet agressief.

De auteurs zijn van mening dat in de loop der jaren deze soorten volledig moeten verdwijnen. Dat wil zeggen om de (bijvoorbeeld) 10 jaar een. Het zijn immers ideale open plekken, waarmee de horizontale structuur over een reeks van jaren nog kan worden verbeterd. Tevens zijn deze plekken plaatsen waar (her)introductie van soorten geprobeerd kan worden.


4. De aanwezigheid van dood hout
Het bos staat aan het begin van de vervalfase, er is dus binnen afzienbare tijd een toenemende hoeveelheid dood hout te verwachten. Dit leidt tot open plekken met meer ruimte en kansen voor natuurlijke verjonging van beuk. Sterfte van bomen in aaneengesloten grotere groepen lijkt niet aannemelijk. Bij alle handelingen die nog in het bos verricht worden, moet voor ogen gehouden worden dat de hoeveelheid dood hout op dit moment minimaal is. In meer natuurlijke, maar wel vergelijkbare bossen in Europa zijn percentages van 20 à 30 procent niet ongewoon. Daarom mag bij geen van de ingrepen waarbij grotere open plekken gecreëerd worden hout worden afgevoerd. Ringen dan wel omtrekken van bomen geeft de beste effecten (ringen heeft vooral effect voor dieren en schimmels, omtrekken resulteert in bodemverwonding, de boom blijft leven). Vellen is, als imitatie van stambreuk, in dit bos ook beperkt mogelijk. Hoog afzagen heeft dan overigens de voorkeur.


5. Vergroten van de horizontale variatie
Er is de komende decennia redelijk wat uitval van individuele bomen te verwachten. Door sluiting van de kroonlaag door de achterblijvende bomen hoeft dit niet tot geslaagde natuurlijke verjonging te leiden. Het zeker stellen van natuurlijke verjonging door het maken van grote open plekken (2 à 3 keer de boomhoogte) is daarom aan te bevelen. Hoeveel en met welk interval is afhankelijk van de bereikte resultaten en de natuurlijke veranderingen in bosstructuur. Het verwijderen van de exoten lijkt de eerste ideale manier om flinke open plekken te creëren.



Vragen bij de voorgenomen werkzaamheden van Natuurmonumenten
De bomen op Weversbergen zijn reeds geblesd. De manier waarop dit gedaan is verbaast ons. Wij hebben de volgende vragen:

1. Waarom is er zoveel geblesd? Volgens onze tellingen is ruim 30% van de bomen geblesd. Met een natuurlijke sterfte van (geschat) 10% betekent dit dat 40% van de bomen binnen de beheersperiode zullen sterven;

2. Waarom is niet zozeer in grote groepen geblesd, maar zijn vooral bomen geblesd, die blijkens hun groeikracht en gelet op hun sociale positie ten opzichte van hun buren de concurrentie met de omstaande bomen al verloren hebben. Hier leidt het natuurlijk proces van concurrentie al tot spontane sterfte van bomen. Door de geplande ingreep wordt verspreid in de tijd vrijkomend dood hout aan het systeem ontnomen;

3. Waarom worden vrijwel alle bomen die volgens de beheerder moeten verdwijnen afgevoerd? Slechts een zeer klein percentage van de bomen wordt geringd: geen boom wordt omgetrokken of op grotere hoogte 'geknakt'. Hiermee wordt een grote aanslag gepleegd op de voorraad hout in dit zelfregulerend bos: nu en in de toekomst;

4. Waarom zijn niet consequent alle fijnsparren uit een groep geblesd? Waarom mogen sommige uit zo'n groep blijven staan? Waarom zijn wel grove dennen geblesd, deze zullen het omvormingsproces toch niet verstoren?

5. In planvorming wordt (her)introductie niet overwogen.


Concluderend vragen wij ons af of deze wijze van omvormen niet eerder leidt tot gelijkvormigheid, geringere hoeveelheden dood hout, kortom tot een slechtere uitgangssituatie voor zelfregulatie dan vóór de ingreep?

Stichting Kritisch Bosbeheer



Literatuur
1] Gorgels, Han & Ruud Lardinois, Hans van den Bos en R.H. Lichthart (1991): Bosbeheer in discussie. Nederlands Bosbouwtijdschrift. Wageningen. Bladzijden: 106 - 111.
——————————————————————————————————





Commentaar na dertig jaar bosontwikkeling van Weversbergen in foto’s en in korte beschrijvingen vanaf rond 1980 tot heden.



Een bosbeeld in detail van het kerngebied zoals aangegeven in de eerste figuur in het artikel hierboven. Een mooie oude zomereik die ooit eens op een stuifduintje tot ontwikkeling kwam en daar tot op heden nog staat.

Foto: © Stichting Kritisch Bosbeheer 1986





Plots verschijnen in Weversbergen motorzagen en bosbouwvoertuigen, de ingrepen zijn gruwelijk, veel dode bomen worden geruimd en een groot aantal beuken geveld. De op de foto deels dode eiken zijn nog geveld en klaargelegd voor transport.

Foto: © Stichting Kritisch Bosbeheer 1990





Tussen de gevelde bomen bevinden zich exemplaren met indrukwekkende spleten en holten: waardeloos voor de bosbouw en houthandel en alleen nog geschikt voor brandhout… Maar het bewijs is overtuigend: vleermuizen en boommarter & Co hebben het nakijken.

De plotselinge kolossale ingreep lijkt volkomen onlogisch en Kritisch Bosbeheer trekt aan de bel en eist onmiddellijke stopzetting. Dat wordt ingewilligd en de kappers ruimen zelf het veld. Er volgen enkele bosexcursies en discussies. Belangrijkste motief voor de ingreep van Natuurmonumenten blijkt het vrijstellen van enkele grove dennen die op rond 110 jaar worden geschat. Men taxeert deze bomen als waardevol, en ondanks de waarschijnlijkheid dat deze bomen het uiteindelijk zullen moeten afleggen tegen de opkomende beuken, verdedigd Natuurmonumenten de ingreep. Desondanks wordt in 1990 de afspraak met de toenmalige districtbeheerder overeengekomen om de werkzaamheden ten minste één jaar uit te stellen en de tussentijd te gebruiken voor overleg en herijking van de beheersplannen.

Foto: © Stichting Kritisch Bosbeheer 1990






Tot onze stomme verbazing wordt de afspraak al na enkele weken geschonden. De districtsbeheerder blijkt al even verbaasd en voelt zich in zijn hemd gezet… Het lijkt ons dat de zakelijke afspraken die met het loonbedrijf zijn gemaakt wellicht nadelige financiële consequenties kunnen hebben. Kortom: de heren zijn weer aan het kappen geslagen en gaan vrolijk verder met hun handwerk. Een gruwelijk beeld ontstaat in een nota bene bosreservaat met een beheersplan dat vol staat met ronkende termen als “zelfregulatie” en “natuurlijke processen”. De vernielingen zijn enorm, grote arealen van de bosbodems worden verdicht door af en aanrijdend vrachtverkeer. Beschadigingen die zeker tientallen jaren zullen vergen om enigszins te herstellen. Recent wetenschappelijk onderzoek laat zien dat dergelijke bodemverdichtingen door zware voertuigen zelfs nooit meer zullen herstellen.

Foto: © Stichting Kritisch Bosbeheer 1991






De foto spreekt voor zich: pure houthandel in een bosreservaat, in een Nationaalpark, in een natuurgebied… Hoort u het ze nog zeggen: zelfregulatie, natuurlijke processen, ontwikkelingsfasen in het bos, natuurlijk bosbeheer, op weg naar een natuurbos…?

Foto: © Stichting Kritisch Bosbeheer 1991






Ook aan eigen gebruik wordt gedacht…

Foto: © Stichting Kritisch Bosbeheer 1991






De jaren daarna gaan de houtoogsten gewoon door. Nu in het kader van exotenbestrijding die in termen van ‘natuurlijker bosbeheer’ worden verdedigd. Enige voorraad ligt hier langs de Lange Juffer klaar voor transport. Elk jaar weer herhaalde dit spektakel zich.

Foto: © Stichting Kritisch Bosbeheer 2001






Zoals deze fijnsparren die onlangs nog zijn gekapt en vakkundig van hun velletje zijn ontdaan. Natuurlijk, de fijnspar is een boreale soort van gebergten en de taiga in het hoge noorden, dus uitfasering is terecht. Maar de bomen kunnen ook door omtrekken of geheel of gedeeltelijk ringen in het systeem worden opgenomen. Exotenbeheer, Natuurmonumenten spreekt doorgaans liever van ‘natuurlijker bosbeheer’, dat betekent in de vigerende praktijk van de organisatie gewoon kap, oogst en afvoer. Hoe dan ook. Die paar stammetjes kunnen altijd nog wel eens van pas komen, zo lijkt dit mini-arrangement ons te willen vertellen.

Foto: © Stichting Kritisch Bosbeheer 2009






Het leukste bewaren we voor het laatst. Het is niet alléén kommer en kwel. Ondanks de gruwelijke ingrepen is er enig dood hout achtergebleven en in enkele gevallen gecreëerd. Op een verkeerde en achterhaalde wijze, uitsluitend door te ringen, dat wel. Andere natuurtechnische ingrepen zijn in Weversbergen niet uitgevoerd. Dergelijk bomen die aan het eind van hun levenscyclus geraken leveren veel natuurlijke processen op. Dat mag inmiddels als bekend worden verondersteld. Op het dode hout in Weversbergen zijn de laatste jaren enkele niet of nauwelijks nog in Nederland voorkomende mossoorten vastgesteld. In èchte bosreservaten gaat het vaak om tientallen tot wel een paar honderd typisch aan natuurbos gebonden soorten mossen en varens. Jammer ook dat het onderzoekje dat hier kennelijk heeft plaatsgegrepen heeft geleid tot het besmeuren met verf van alle te onderzoeken dode bomen. Jammer en volstrekt onnodig. Dat betekent toch weer een forse aanslag op ons sluimerende spirituele Jomanda-gevoel zullen we maar zeggen. Hogere sferen of niet, het kenmerkt wel een beetje de hooghartigheid van de beheerders.

Foto: © Stichting Kritisch Bosbeheer 2000






Er zijn in Weversbergen sinds 1990 duizenden bomen omgehakt, omgekat en afgevoerd. Ook dode bomen, ook kromme bomen, ook bomen met holten en spleten, ook oude bomen in de vervalfase. Na de interventie van Stichting Kritisch Bosbeheer is er plots ook ‘omvormingsbeheer’ doorgevoerd. Er zijn enkele bomen geringd. Een in dit type bos achterhaalde en te weinig opleverende ingreep die we omkatten noemen. Het resultaat is dat de geringde boom meestal zeer snel sterft en al in enkele jaren - meestal op de ingezaagde ring - afbreekt. Zo’n oude boom, die hier relatief schaars voorkomt, zakt in slechts enkele jaren volkomen door het systeem. Normaal kan een aftakelende en stervende boom, afhankelijk van de omstandigheden en boomsoort tientallen jaren tot soms wel 1 à 2 eeuwen ‘meedoen’, vooraleer hij in een staat verkeert als op de afbeelding. Het spijt ons zeer dat natuurtechnisch bosbeheer bij Natuurmonumenten nauwelijks enige ontwikkeling heeft doorgemaakt. De kennis ontbreekt er eenvoudig: het is nog steeds vooral een houthandel.

Afsluitend onze wens in 1990 aan Natuurmonumenten gedaan om in Weversbergen ook boomsoorten te herintroduceren. Zo hebben we destijds aangedrongen om in Weversbergen winterlinden in te brengen, hetgeen inderdaad is uitgevoerd. Zij het op grote afstand buiten het reservaat en nota bene in een vierkant rastertje, hoezo zelfregulatie? Bijna twintig jaar later is ook door Alterra vastgesteld dat linden een biodiversiteitsverhogende invloed hebben op het bos en bosbodem en sindsdien worden er meer, zij het schoorvoetend, hier en daar winterlinden aangeplant. Veelal echter in een cultuurlijke setting zoals in lanen of lijnbeplantingen, en voor zover wij hebben kunnen waarnemen, altijd (individueel) ingerasterd en vooral op betere leem- of lösshoudende bodems.

Weversbergen heeft zwaar te lijden onder de druk van de oogstende bosbouwer. Als het gebied in de tachtiger jaren daadwerkelijk als bosreservaat zou zijn ingesteld, dan zou de natuurlijke ontwikkeling aanzienlijk verder zijn ingetreden dan heden is waar te nemen. Het is in onze ogen geen reservaat en komt ook als zodanig niet op de lijst van Bosprogramma Reservaten van de overheid voor. Een somberstemmende lering voor de toekomst is tevens dat een gesprek met Natuurmonumenten weinig of niets oplevert: men voelt zich heer en meester en gaat uiteindelijk gewoon haar eigen gang. Dertig jaar Weversbergen heeft vooral hout opgeleverd, maar weinig natuur.

Foto: © Stichting Kritisch Bosbeheer 2000