Artikel

Bosbouwsector slaapt


Hout uit het bos, planken van de akker, of toch maar meer natuur in het bos?




Dit artikel is eerder in 2004 in Nieuwe Widernis gepubliceerd




Is de bosbouwsector nog wel salonfähig? In ieder geval is het maar een suffe bedoening. Ze heeft ook slappe benen. Al jaren leunt ze zwaar op financiële krukken, haar gul toegestoken door de overheid.


De Nederlandse bosbouw leunt structureel ongewoon zwaar op overheidssteun. Van de gemiddelde inkomsten van de Nederlandse bosbedrijven bestaat de helft uit overheidssubsidies. Zonder zich permanent aan de nog steeds rijkelijk vloeiende subsidiekraan te laven zou de sector in Nederland geen overlevingskansen hebben.

Maar hout is wel degelijk een belangrijke grondstof waarvoor we minder afhankelijk zouden moeten zijn van het buitenland. Dat vind althans de overheid en heeft al aan het begin van het laatste kwartaal van de vorige eeuw ambitieus ingezet om de zelfvoorzieningsgraad van hooguit acht à negen procent toen in twee decennia op te voeren naar een duizelingwekkende hoogte van vijfentwintig procent. In 2000 verscheen een nieuwe overkoepelende beleidsnota waarin het bosbeheer geruisloos werd ingebed in het natuurbeleid... (varen natuurbeschermingsorganisaties dan wel een eigen koers?). Daarmee was van het ambitieuze overheidsstreven om de houtproductie te verdrievoudigen weinig meer over en mag gezien de productiecijfers vastgesteld worden dat dat overheidsplan volkomen mislukt is. Is de veronderstelling gerechtvaardigd dat misschien de zeer hoge kosten van dat ambitieuze plan een te hoge drempel waren?

Zoveel is wel duidelijk: de houtproducerende bedrijven zijn er nooit in geslaagd om inventieve bedrijfsvoeringen te ontwikkelen. De discussies over de houtproducerende sector, aangezwengeld door de Landelijke Werkgroep Kritisch Bosbeheer in de zeventiger jaren, welke later is overgegaan in Stichting Kritisch Bosbeheer (SKB), hebben dat naadloos aan het licht gebracht. Voor het eerst werd daarbij door SKB ook het publiek nadrukkelijk bij het debat betrokken. Voorheen was de bosbouwsector een onderonsje tussen overheid en een betrekkelijk kleine groep bosbouwers / natuurbeheerders. Tegenwoordig is de belangstelling voor de eigen houtproductie meer verschoven naar de natuur in het bos.

Maar waarom zo krampachtig zoveel mogelijk zelfvoorzienend willen zijn met kwijnende vormen van landbouw op schaarse gronden, wat houtproductie feitelijk is? Waarom dan niet ook zelfvoorzienend willen zijn als het gaat om bijvoorbeeld elektriciteit, gas of aardolie die meer, nee, van levensbelang zijn voor onze hele samenleving? Inderdaad haalt Nederland steeds meer elektriciteit uit het buitenland en glijdt zij af, van redelijk zelfvoorzienend, naar nu deels afhankelijk van het buitenland. Meer dan twintig procent van het Nederlandse elektriciteitsverbruik komt nu al uit het buitenland. Waarbij overigens sommige landen al reeds een groot aandeel duurzame enrgie produceert. Denemarken haalt al ongeveer vijfentwintig procent van haar elektriciteitsproductie uit duurzame bronnen en Duitsland produceert (16.628 MW, april 2005) alleen al met windmolens ruim meer dan het hele Nederlandse elektriciteitsverbruik van industrie, bedrijven en huishoudens samen. De Nederlandse elektriciteitsproductie uit windmolens is daarentegen uiterst bescheiden: de huishoudens in één grote stad kan er mee bediend worden (1078 MW, eind 2004).

In dit licht bezien is het zeer merkwaardig om als overheid te willen streven naar een ongeloofwaardige hoge eigen houtproductie van vijfentwintig procent van het binnenlands verbruik. Het kost zeer veel geld en is bedrijfsmatig onwaarschijnlijk realiseerbaar. De Nederlandse bosbouw heeft het moeilijk en de toekomst is niet hoopgevend. Het grootste deel van de houtproductie vindt toepassing in zeer laagwaardige producten, vooral brandhout, pellets, krantenpapier en vezelplaten. Nederlands hout verdwijnt hoogst zelden bijvoorbeeld in meubels, het zij dan als met lijm samengeplakt versnipperd hout in de vorm van vezelplaat. Tot overmaat van ramp wordt vezelplaat uit Nederlands hout ook nog eens in het buitenland vervaardigd...

En juist voor vezelplaat, waaronder ook MDF wordt gerekend, komt nu uit andere bron een zeer interessant alternatief. Namelijk vezelplaat uit stro. Dit product is een derde lichter in gewicht, emitteert geen vervuilende stoffen als gassen uit lijmverbindingen - denk aan formaldehyde uit spaan- en vezelplaten, dat tegenwoordig wel sterk verminderd maar niet geheel uitgebannen is - maar ruikt daarentegen bescheiden en aangenaam naar een zomers roggeveld.

Nee, vezelplaat uit stro is helemaal niet slechts een goed idee dat nog in de harde praktijk zijn bestaansrecht moet bewijzen, het wordt al volop geproduceerd en in de meubelindustrie toegepast. Natuurlijk in het buitenland... Vezelplaten uit stro zijn ontwikkeld en worden geproduceerd in de Duitse deelstaat Sachsen. De nieuwe platen zijn even sterk als de houten tegenhangers en even eenvoudig te bewerken. Wie het bos lief is koopt geen producten van hout zoals vezelplaten uit bossen, al dan niet met FSC-keurmerk, maar koopt stroplaten. Dat is veel beter voor het bos en de boer kan zijn bestaan weer wat opvrolijken met een nieuwe toepassing voor zijn gewas èn het is beter voor uw gezondheid. Wat wil een mens nog meer? Meer natuur in het bos! Nu graag ook bij alle natuurbeschermingsorganisaties.