Artikel

Iepziekte


De iepziekte is een aantasting die veroorzaakt wordt door de schimmels Ophiostoma ulmi (syn. Ceratocystis ulmi) en Ophiostoma novo-ulmi. Ophiostoma novo-ulmi is pas in de jaren zeventig voor het eerst waargenomen en tast ook de tegen Ophiostoma ulmi resistente rassen Commelin en Groeneveld aan.

De schimmel tast uitsluitend iepen aan. Zij wordt in Europa overgebracht door de grote iepenspintkever (Scolytus scolytus) en de kleine iepenspintkever (Scolytus multistriatus). De schimmelinfectie begint in de jongste jaarring van de boom en kan zich via het houtvatensysteem verder verspreiden naar de hele boom. De boom produceert als reactie thyllen, een gomblaas om de groei van de schimmel te stoppen, maar daardoor raken die vaten ook verstopt waardoor als gevolg sterfte van de boom optreedt.

De infectie kan zich door de jonge uitvliegende kevers verspreiden naar gezonde bomen. Verder kan de ziekte zich ondergronds verspreiden naar andere iepenbomen als zij naast elkaar staan, omdat de wortels bij iepenbomen de neiging hebben zich met elkaar te verbinden.




Dit artikel is eerder in augustus 2000 in Nieuwe Wildernis gepubliceerd



Verspreiding
De iepziekte is geïntroduceerd door bosbouwactiviteiten. Door transporten van gekapt hout, zeer waarschijnlijk vanuit China, is de ziekte in Europa en Noord-Amerika geïntroduceerd. Dat gebeurde in 1918 eerst in Noord-Frankrijk en in datzelfde jaar in Noord-Brabant met de import van iepenhout. Dat de ziekte uit China komt wordt aangenomen omdat daar resistente iepensoorten voorkomen.

In Nederland is de iepziekte voor het eerst vlak na de eerste wereldoorlog in 1918 geconstateerd. Omdat twee Nederlandse onderzoeksters de ziekte voor het eerst beschreven, wordt deze in het buitenland de 'Dutch Elm Disease' genoemd. Zij heeft zich sindsdien snel over het hele iepenbestand verspreidt en vele duizenden bomen geïnfecteerd. Vervolgens is de ziekte, opnieuw door houttransporten, geëxporteerd naar Noord-Amerika. Het is gebleken dat dat al in 1926 moet zijn gebeurd, eveneens met de import van iepenstammen uit Noord-Frankrijk die bedoeld waren voor Amerikaanse fineerfabrieken. Na deze eerste infectiegolf is de ziekte in Europa na de Tweede Wereldoorlog in hevigheid afgenomen. In de zeventiger jaren van de vorige eeuw ontstond echter een nieuwe iepziektegolf, ditmaal van een nieuwe en agressievere schimmelstam. Deze nieuwe infectiehaard is opnieuw door houttransporten veroorzaakt. Iepenstammen afkomstig uit Canada brachten namelijk de nieuwe agressieve schimmel naar Europa. Mogelijk dat ook deze variant oorspronkelijk uit China komt. De sterfte onder de Europese iepenbomen was enorm. In Engeland bijvoorbeeld is toen tweederde van de 24 miljoen bomen verloren gegaan.

Infectie
De iepziekte wordt in Europa door twee soorten spintkevers overgebracht. De kevers worden aangetrokken door kwijnende iepenbomen en boren in de bast of takken, in de lengterichting van het hout, broedgangen. De kevers kunnen bij het boren schimmelsporen in het hout achterlaten. Aan beide zijden van zo’n broedgang worden de eitjes gelegd. De daaruit komende larven vreten dwars op de moedergang zijgangen. Het einde van de zijgangen wordt door de larve iets verbreedt, dit wordt de poppenwieg genoemd. Hierin verpopt de larve zich. De jonge kevers verlaten de boom en vliegen, vóór zij gaan paren, naar de kronen van gezonde iepen en vreten daar van de bast in de oksels van twijgen. Als de kevers besmet zijn kunnen zij daarbij de sporen van de schimmel in de jonge houtvaten van de boom brengen, waarmee de kring gesloten wordt, omdat deze geïnfecteerde bomen gaan kwijnen en weer aantrekkelijk worden voor vrouwelijke kevers om broedgangen te maken en eitjes te leggen.

Naast de infectieoverdracht door spintkevers kunnen de bomen zich ook rechtstreeks infecteren. Het is gebleken dat iepenwortels als de bomen naast elkaar staan, bijvoorbeeld in lanen, met elkaar in verbinding kunnen staan, zodat de ziekte zich ondergronds vrij snel van boom tot boom kan verspreiden.

De schimmel blijkt tijdens het ziekteproces voornamelijk in de houtvaten te groeien. Daarin worden sporen gevormd die door de sapstroom van de boom worden verspreid. De houtvaten van de boom kunnen door de ziekte uitstulpingen gaan vormen waardoor de houtvaten verstopt raken. Dit gebeurt vooral in de jongste jaarring. Omdat de sapstroom van iepen voornamelijk via deze jongste jaarring verloopt kan het watertransport onderbroken raken, waardoor de boom verdroogt en sterft.

Ziektebeeld
iepziekte is dus een verwerkingsziekte. Het blad van een geïnfecteerde iep kan in enkele weken verdorren en zijn blad laten vallen en sterven. Meestal verloopt het ziekteproces langzamer. Het blad op enkele takken gaat vergelen en valt af. Geleidelijk aan worden de kale plekken in de kruin groter. Een typisch kenmerk van de iepziekte is dat in de toppen van jonge en inmiddels kale takken vaak enkele blaadjes blijven zitten. Een aangetaste tak vertoont bij het aansnijden donkere verkleuringen in de jongste jaarring.

Bestrijding
De iepziekte kan op enkele manieren bestreden worden. Daarbij sommen we niet alle mogelijke en mislukte geteste methoden op, zoals het wegvangen van iepenspintkevers met behulp van feromoonvallen.

Kappen en verbranden
Allereerst is er de traditionele methode: kappen en verbranden. Deze methode berust op het principe om de cyclus van eierleggende spintkevers en het uitvliegen van de verpopte larven naar gezonde bomen te onderbreken. Chemische bestrijding is daarbij om diverse redenen onuitvoerbaar. Alleen het zo snel mogelijk verwijderen van kwijnende bomen, die potentiële broedplaatsen kunnen vormen, kan dan een optie zijn. Dat betekent het kappen van kwijnende bomen en het schillen van de bast van de gevelde boom. De bast moet vervolgens verbrand worden. Het is een weinig elegante methode omdat je niet alleen door de ziekte bomen verliest, maar er eveneens zelf aan bijdraagt door waardevolle bomen preventief te kappen. Bovendien is moeilijk aan te geven in hoeverre deze bestrijdingsmethode werkelijk effectief is. Voor zover bekend zijn daar geen goede onderzoekscijfers over bekend.

Bestrijdingsmiddel
Er is verder een bestrijdingsmethode ontwikkeld om iepen te injecteren met een fungicide. Onder druk wordt een oplossing via boorgaten in de houtvaten geperst. Alleen als de boom licht is aangetast mag resultaat worden verwacht. De behandeling kan ook preventief bij gezonde bomen worden toegepast. Ze is echter kostbaar en moet elk jaar herhaald worden. Een nadeel is eveneens dat de ingreep belastend is voor de gezondheid van de boom omdat bij elke behandeling gaten in de stam moeten worden geboord, teneinde het bestrijdingsmiddel te kunnen inbrengen.

Biologische bestrijding
Een redelijk kans van slagen lijkt het preventief infecteren met een schimmelinfectie te zijn. Het berust op het principe van geïnduceerde resistentie. In het voorjaar, zo in de maanden mei-juni, worden de bomen geïnfecteerd met de schimmel Verticillium dahlia. Dit pathogeen komt o.a. voor bij tomaten en aardappelen. De aldus geïnfecteerde iepen worden niet ziek, maar reageren wel met een bruinverkleuring. Worden de bomen vervolgens geïnfecteerd door de iepziekte, dan treden er geen ziekteverschijnselen op. Deze methode wordt nu al enkele jaren toegepast. Door deze biologische bestrijdingsmethode hoeven er dus in beginsel geen monumentale bomen meer verloren te gaan. Ofschoon echte monumentale iepenbomen in ons land niet (meer) voorkomen, de oudste iep was slechts 160 jaar, hij stond bij het gemeentehuis van Tiel, en is in juli 2000 gekapt.

Variëteiten
Dit is een wellicht een interessante weg om het hoofd te bieden tegen iepziekte. Het is immers onmiskenbaar een feit dat onze meeste iepen uit gekloneerde variëteiten bestaan. Enerzijds wordt daarmee de genetische verscheidenheid van het materiaal zeer beperkt. Is het bronmateriaal gevoelig voor een bepaalde ziektestam, dan is daarmee ook het hele bomenbestand uiterst kwetsbaar. Deze smalle genetische basis blijkt dan ook inderdaad helaas op te gaan voor ons gehele iepenbestand en is de basis voor de kwetsbaarheid jegens iepziekte.

Door onderzoek van Stichting Kritisch Bosbeheer naar het belang en de rol en het voorkomen van natuurlijke autochtone variëteiten van iepensoorten in de natuur, zijn sterke aanwijzingen gevonden dat de in de natuur voorkomende iepenbomen niet allemaal even bevattelijk zijn voor iepziekte. Er zijn namelijk gebieden gevonden waar iepen voorkomen die daadwerkelijk eeuwenoud zijn en kennelijk gezond overleven temidden van door de ziekte getroffen bomen. Dat is ten minste een sterke aanwijzing voor het feit dat deze gezonde bomen kennelijk over een zekere mate van resistentie beschikken. In de natuur is het immers zo dat bomen worden blootgesteld aan natuurlijke selectiedrukken. Het is daarom bijzonder spijtig dat er in Nederland heel weinig autochtoon bomenmateriaal is overgebleven in ongestoorde bossen. Vrijwel alles in ons land is aangeplant en afkomstig uit door de mens bepaalde kwekersbronnen, die overigens afkomstig kunnen zijn uit alle continenten. Helaas geld dit verlies van oorspronkelijk genetisch materiaal in ons land voor alle boomsoorten. De moraal van dit verhaal is dat we uiterst zuinig moeten zijn op het mogelijke voorkomen van autochtone relicten. Meer onderzoek en inventarisaties zijn gewenst.