Artikel

Bentheimer Urwald-1


Dit ongewijzigde artikel is samen met beschrijvingen van andere natuurbossen eerder gepubliceerd in het boek: „Dode bomen - Levende bossen: de mooiste natuurbossen” van Luc Jans. Dit werk is in 1994 uitgegeven door Stichting Kritisch Bosbeheer.



Door: Luc Jans

Dit artikel is op 28-07-2010 geplaatst



Beheerder: Fürst zu Bentheimsches Forstamt
Plaats: Bentheim, Niedersachsen, Duitsland
Grootte: 23 hectare



Precieze locatie en bereikbaarheid
Het Bentheimer Urwald ligt ongeveer 20 km ten oosten van Oldenzaal (8 km over de grens), en 1 à 2 km ten noorden van het plaatsje Bentheim. Het is gelegen rondom het Kurort Bad Bentheim.

Het Bentheimer Urwald is goed met de trein bereikbaar. De trein van Oldenzaal naar Duitsland heeft als eerste halte Bentheim. Vanaf het station is het nog slechts enkele kilometers lopen.

Topografische Kaart: de Nederlandse 1:50.000 kaart 29 West.


Eigendom en status
Het gebied heeft momenteel nog geen status van strikt reservaat.


Toegankelijkheid
Het gebied is vrij toegankelijk op de paden die in en rond het bos lopen. Vanaf deze paden krijgt men een uitstekende indruk van het gebied.


Landschap
Het Bentheimer Urwald is een laagland- en rivierbos op keileem. Het gebied ligt in een licht glooiend landschap tussen twee heuvels, de Bentheimerberg en de Isterberg; ongeveer 42-50 meter boven zeeniveau.

De bodem is zeer vochtig door de slecht doorlatende lagen in de bodem. De grondwaterstand is hierdoor sterk wisselend, tot laat in het voorjaar is de bosbodem zeer vochtig en pleksgewijs erg drassig.

Behalve de huidige bedding van een beekje zijn er nog verschillende oude beekmeanders te zien. Het Bentheimer Urwald is gelegen in een veel groter bosgebied van ongeveer 1.400 ha. Het echte ‘oerbos’ bestaat uit twee delen: het Totenwald (13,5 ha) en het Westbos (9 ha).


Vegetatie en flora
Het Bentheimer Urwald vormt qua bostype een overgang tussen de bossen van rijkere en van armere bodems. Wat boomsoorten betreft komen vooral zomereik, beuk, haagbeuk, zwarte els, gewone es en berk voor. Verschillende eiken hebben een leeftijd van zo’n 500 jaar.

Binnen het Bentheimer Urwald vallen drie bostypen te onderscheiden:

Het Gierstgras-Beukenbos waar de beuk de meest voorkomende boomsoort is. Ook verschillende haagbeuken en zomereiken. Soms een fijnspar of een Spaanse aak. Daaronder groeit weinig ondergroei die bovendien soortenarm is. Soms zijn er stukken waar de ondergroei vrijwel ontbreekt. Wel veel bosgierstgras, blauwe bosbes, pilzegge en hulst. Ook klimop, grote muur, geel nagelkruid, lievevrouwebedstro, bochtige smele, groot heksenkruid, bleeksporig bosviooltje en gele dovenetel. Op verstoorde plekken komt plaatselijk veel pitrus en stekelvaren voor.

In het Eiken-Haagbeukenbos wordt de boomlaag gevormd door haagbeuken en zomereiken. Ook staat er een enkele beuk en is er een stukje met enorme zwarte elzen. Verder staan er wat essen langs de beek. In de struiklaag komen vooral hulst, tweestijlige meidoorn, gewone braam en framboos voor. Er groeien veel jonge haagbeuken, hetgeen mede veroorzaakt wordt door de ontwatering. In de vrij soortenarme kruidlaag zijn bosanemoon, gele dovenetel, speenkruid, groot heksenkruid, moeraswalstro, witte klaverzuring, grote muur, klimop, slanke sleutelbloem, wilde kamperfoelie, egelboterbloem, bleeksporig bosviooltje, bosgierstgras, heelkruid, kleine valeriaan, boszegge en ijle zegge de opvallendste soorten.

De Hennegras-ruigte komt vooral voor in het noordwestelijk deel van het Totenwald. De belangrijkste boomsoorten zijn grove den en zomereik. Er staan geen beuken of haagbeuken. Het is er redelijk nat met o.a.: veenmos, eenarig wollegras en wilgeroosje.

In het ‘oerbos’ treedt een duidelijke successie naar beukenbos op. Dit wordt deels veroorzaakt door verdroging als gevolg van ontwatering en deels is het een natuurlijke reactie op een eeuwenlange benadeling van de beuk door beweiding en selectieve kap, het zogenaamde hudewaldbeheer. Deze toename van beuk leidt tot een lichte verarming van de kruidenvegetatie.


Fauna
Het Totenwald heeft een grotere broedvogeldichtheid dan het Westbos en een veel grotere verscheidenheid dan het omringende productiebos. Er zijn vooral veel meer individuen van struikbroeders en holenbroeders. Enkele opvallende vogelsoorten die in dit bos voorkomen zijn: grote bonte specht, kleine bonte specht, zwarte specht, zwarte mees, staartmees, gekraagde roodstaart, wespendief, bosuil, holenduif en bonte vliegenvanger.

Het voorkomen van de volgende zoogdiersoorten is bekend: watervleermuis, dwergvleermuis, rosse vleermuis, bosmuis, rosse woelmuis, bosspitsmuis, wezel, konijn, eekhoorn, boommarter (in het noordoosten van het Totenwald), ree (enkele) en soms een solitair of doortrekkend edelhert.

Verder komen ook Alpenwatersalamander, hazelworm en ringslang voor.

Uit een inventarisatie is gebleken dat in het omringende productiebos vrijwel geen konijnen, amfibieën, reptielen of dagvlinders voorkomen. De verschillen met het ‘oerbos’ zijn dus groot.



Staande dode eik vol met insectengaatjes.

Foto: © Stichting Kritisch Bosebheer






Geschiedenis
Ook dit bosgebied heeft een hudewaldverleden. Tot het einde van de 19e eeuw werd het bos door vee beweid. Het had een open grazig karakter. Naast de beweiding was er ook menselijke invloed in de vorm van strooiselwinning en plaggensteken. Eiken werden vaak zodanig beheerd (snoeien en aanplant) dat zij veel zaden produceerden, de zogeheten mast. De eiken en haagbeuken zijn veelal geplant. De haagbeuken werden vaak geknot op zo’n twee meter hoogte, het dikkere hout diende als brandstof en de kleinere takken met loof dienden als voedsel voor het vee. Als er jonge boompjes werden geplant, werden veelal ook enkele doornstruiken in het plantgat gezet om zo de boompjes te beschermen tegen vraat door vee.

De eiken hebben ook nu nog zeer brede kronen door de sterke vertakkingen laag bij de grond. Dit is een gevolg van vraat en hun relatieve vrijstaande positie. De eik werd in het hudewaldbeheer immers bevoordeeld omdat de eikels in de herfst een zeer waardevolle voedselbron voor de varkens vormden. Bovendien laat de eik veel meer licht op de bodem toe zodat de grasgroei er weinig door wordt belemmerd. Dit in tegenstelling tot de veel licht wegnemende beuk. De beuk brengt weliswaar de ook voor varkens zeer voedzame beukenootjes voort, maar de mast is slechts eens in de ongeveer zeven jaar echt groot. De beuk werd daarom vaak geweerd, al zal zijn slechte regeneratievermogen na vraat vermoedelijk ook een rol hebben gespeeld. Sinds het begin van deze eeuw wordt het ‘oerbosgedeelte’ nauwelijks meer actief beheerd. Het omringende bos heeft wel een houtproductiefunctie. Het ‘oerbosgedeelte’ heeft dus al bijna honderd jaar een relatief ongestoorde ontwikkeling doorgemaakt. Slechts zo nu en dan werden enkele bomen of boomgroepen uit het bos gekapt.

Halverwege de jaren zeventig was er echter een aanzienlijke ingreep in de buurt van het bos. Er vond een uitdieping plaats van de beek langs het Totenwald. Sindsdien is het bos droger geworden, hetgeen tot een versnelde successie naar beukenbos leidde. Ook is toen voor de aanleg van een gasleiding dwars door het gebied een strook bos van 5 tot 10 meter breed gekapt.

Vermeldenswaardig is dat in het voorjaar van 1990 de beheerders een deel van de haagbeuken bij de ingang hebben geknot. Waarschijnlijk uit nostalgische overwegingen om weer iets van het voormalige hudewaldbeheer terug te krijgen. Uit het oogpunt van bosecologie moet deze kap worden betreurd, immers effecten van het knotten van haagbeuken kun je in elk bos laten zien, terwijl bossen met een tamelijk ongestoorde ontwikkeling daarentegen zeer zeldzaam zijn.


Huidig beheer
In z’n algemeenheid wordt er vrij weinig ingegrepen in het Bentheimer Urwald. Soms worden echter toch enkele bomen gekapt of wordt er dood hout afgevoerd. Verder wordt de waterhuishouding actief beïnvloed vanuit de sloten en kanalen in de omgeving. Of er in het ‘oerbosgedeelte’ jacht plaatsvindt is niet geheel zeker, maar in de omringende percelen wordt er zeker gejaagd.


Bedreigingen
De afwatering van het badwater van het nabijgelegen Kurort vindt plaats via de gekanaliseerde beek langs het Totenwald. Dit kan een bedreiging vormen als het water te veel vervuild is met stoffen die nutriëntenverrijkend werken. Verder zijn er regelmatig plannen om het Kurort uit te breiden.


Bijzonderheden
De meest natuurlijke stukken van het Bentheimer Urwald liggen in het zuidoosten van het Totenwald en in het oostelijk deel van het zogenaamde Westbos. Nota bene: het Totenwald is natuurlijker dan het Westbos.

Een leuk historisch monument is de zogenaamde Höltingstuhl. Dit is een staand stenen plakkaat, waar tijdens het hudewaldbeheer drie keer per jaar een vergadering werd gehouden over de regelingen ten aanzien van het gebruik van het bos.


Literatuur
Hall, H.C. van (1854). Het bad te Bentheim: schets der natuur. A.C. Kruseman, Haarlem.

Helmer, W. (1983). Het Bentheimerwald: een bosecologische studie. RIN, Leersum.

Lans, H.E. van der (1984). Over zomergroene loofoerwouden van het Nederlandse klimaatgebied. Stichting Kritisch Bosbeheer, Utrecht.

Lans, H.E. van der (1981). Interessante bossen in Nederland en oerwoudresten van Europa. Stichting Kritisch Bosbeheer, Utrecht.

Pott, R. & E. Burrichter (1983). Der Bentheimer Wald: Geschichte, Physiognomie und Vegetation eines ehemaligen Hude- und Schneitelwaldes. Forstwissenschaftliches Centralblatt 102(6): 350-361.

Pott, R. & J. Hüppe (1991). Die Hudelandschaften Nordwestdeutschlands. Westfälisches Museum für Naturkunde, Münster.