Artikel

Borkener Paradies-1


Men kan afreizen naar Amsterdam en zich daar de 17e en 18e eeuwse landschapschilders aanzien. Het type landschap dat zij schilderden bestaat nog steeds, zij het bescheiden en klein, maar toch. Das Paradies ist nebenan: vanuit Amsterdam maakt u rechtsomkeer, koerst pal naar het oosten tot even voorbij Hoogeveen, net over de grens en tref daar één der voorbeelden aan, zijnde het Borkener Paradies.



Door: Ruud Lardinois

Dit artikel is op 02-06-2010 geplaatst
Dit artikel is op 22-08-2010 bijgewerkt





Jan Josephszoon van Goyen: de twee eiken, 1641. Van Goyen heeft veel schilderijen nagelaten van zandwegen, rivieren, plassen en waterlopen, meest uit de omgeving van Den Haag, Rotterdam, Delft, Dordrecht, Leiden, Gouda, Arnhem en Emmerik.





Borkener Paradies is een heel bijzonder natuurgebied, van een type waarvan er in Nederland duizenden waren. Of beter gezegd, misschien maar één, omdat de prè-ïndustriële landbouwende mens niet op grasgroene biljartlakens vee teelde, maar buiten het dorp, in het bos, op het veen en op de kwelders. En dat gebeurde in Europa echt eeuwenlang en overal. De eerste pogingen om met huisdieren het landschap te exploiteren zijn in onze streken al ontstaan rond 9000 tot 7000 jaar geleden. Het bijzondere van Borkener Paradies is dat het nog ongeveer net zo werkt als het ontstaan is en zich ontwikkeld heeft. In Nederland zijn zo hier en daar nog resten van dit landschapstype aan te treffen, maar op een paar uitzonderingen na bijna nergens nog bij benadering zo compleet en zeker niet meer zo functionerend. Borkener Paradies zoals het zich nu aan ons toont is feitelijk een Middeleeuws weiland. Het landschapsbeeld daarvóór is overgegaan in het huidige, zodat op deze plek niet beschreven kan worden hoe het gebied er na de eerste exploitaties en vóór het huidige er precies uitzag. Wel is een beschrijving van de processen te geven, mede op grond van archeologisch en historisch-ecologisch onderzoek, zoals pollenmetingen, alsmede van elders wél zeer goed onderzochte vergelijkbare oude bewonings- en gebruiksvormen waaruit is af te leiden dat het bos in prehistorische en historische tijden een aanzienlijk belangrijkere waarde voor de mens had dan tegenwoordig.




Op deze kaart is de ligging van Borkener Paradies in de oksel van een meander van de Ems weergegeven. Hier lijkt de meander niet meer gekoppeld aan en meestromend met de Ems. Dat is echter onjuist. De oude meander voert inmiddels wel degelijk weer met de Ems meestromend water en wordt gereguleerd door een recent aangelegde fraaie stuw met stroomversnelling, waardoor ook de vissen zonder zich in levensgevaar te begeven er weer gebruik van kunnen maken.





In het Duits heet zo’n gebied een Hudewald, een begrip dat wijst op gemeenschappelijk gebruik van natuurgronden en dat in het Nederlandse (taal)gebruik helaas verloren is gegaan. De gemeenschappelijke gronden was al een gebruik in Germaanse tijden. De Romeinse historicus Tacitus beschreef het Germaanse dorpsleven aldus: Elke boer heeft een boerderij en omheinde tuin. Hij heeft ook paarden, runderen, schapen en gevogelte. De overige gronden zijn gemeenschappelijk bezit. De akkers, weiden, bossen en heuvels zijn hem door de goden aan het volk, niet aan de individuele bezitter vergund. Hem is alleen het gebruik toegestaan.

Een afgeleide vorm, de ‘marke’, kennen we echter nog wel, denk aan de Loenermark (Veluwe), waar overigens het huidige boslandschap in niets meer wijst op het voormalige hudewaldgebruik. Dat is daar helaas door misachting voor oude gebruiken, overexploitatie en roofbouw voor altijd verloren gegaan, wat tot grootschalige ontbossing en de vorming van stuifzanden en heiden heeft geleid en waardoor uitsluitend nog een armetierig beweidingssysteem met schapen mogelijk was dat in niets meer wijst op de ooit oorspronkelijke begroeiingen. Feitelijk betekent dit dat het landschap in de meeste marken door mismanagement zodanig sterk degenereerde dat het niet meer in staat bleek grotere vee-eenheden als rund, paard en varkens te voeden - en dus ook de mens - zoals dat enkele duizenden jaren daarvóór wel het geval was. Uiteindelijk ging in veel gevallen zelfs ook het houden van schapen mis en raakten de bodems zodanig sterk uitgeput dat ze op grote schaal in verstuiving raakten. Deze historische vorm van landgebruik was echter wel sterk gebonden aan topografische en (geo)morfologische kenmerken als reliëf, bodemtypen, vruchtbaarheid, waterhuishouding, bereikbaarheid, enzovoort. Deze vaak praktische en logische landschapsstructuren - en vooral ook de gradiënten daartussen - zijn heden ten dage vaak nog wel rudimentair herkenbaar, maar hebben zeer ernstig geleden en veranderden enorm bij de komst van kunstmest. De Loenermark en andere ‘marken’ werden daarmee feitelijk in één klap als waardeloos aangemerkt. Zo rond het eind van de 19e eeuw werd de Loenermark - en tal van andere marken - daarom ‘ontgonnen’ en zijn grote arealen van de bodems zeer diep met ploegen omgewerkt terwijl er grote hoeveelheden stadsvuil als ‘bemesting’ op de gronden zijn uitgereden, waarna de boel met productiebomen werd ingeplant. Veelal met boomsoorten die uit alle werelddelen afkomstig waren. Sommige exotische soorten werden aangeplant als een vorm van ‘bodemverbeteraar’ zoals het krentenboompje en Amerikaanse vogelkers. Ze staan er nu nog, dennen, fijnsparren waarvan een reeks cultivars, douglasbomen, lariksen, Amerikaanse vogelkers, een welhaast schier oneindige lijst.



Trungii-boer in gevechtsuitrusting met wapenbijl, schild en helm. Deze Germaanse stam leefde van rond 100 jaar voor het begin van onze jaartelling tot 750 jaar er na. Oorspronkelijk woonden zij „over de Rijn”, dus aan de rechteroever, de oostzijde, waar de Romeinen tevergeefs hebben geprobeerd de daar levende stammen aan zich te onderwerpen. Door de soms hevige verliezen gaven de Romeinen dit voornemen uiteindelijk op en trokken langs die grens een keten van wachttorens op, van de Noordzee langs de Rijn en Donau naar de Zwarte Zee, de zogeheten Limes. Na het uitmoorden door Julius Caesar van de Eburonen, vestigden de Tungrii zich rond het huidige Tongeren (België), het vroegere woongebied van de Eburonen. Dit gebeurde ten tijde van keizer Augustus. Volgens Tacitus was het de eerste Germaanse stam die de Rijn overstak en zich in Gallia Belgica vestigde.

De Germaanse stammen leefden van eenvoudige vormen van landbouw en veeteelt. Het vee weidde onder begeleiding van een herder in de bossen rondom het dorp op gemeenschappelijke gronden, wat veel later het hudewald is gaan heten.

Foto: © Stichting Kritisch Bosbeheer






Terug naar het begrip ‘Hudewald’. Dat beschrijft precies wat het was, een bos waar mensen uit het dorp hun vee; koeien, geiten, schapen, paarden en varkens, gezamenlijk (lieten) hoedden, vaak onder begeleiding van een kind of een bejaarde, die aan het eind van de dag de dieren weer mee terug naar het dorp voerde om er misschien een emmertje melk, maar bovenal de mest (de laatste was een uiterst cruciale en levensnoodzakelijke grondstof in het Middeleeuwse bestaan), te oogsten en te verzamelen. Naar Burrichter et al (1980) heeft het hudewaldsysteem zich in West-Europa uitgestrekt over een periode van rond 5000 jaar.




Jacob Salomonszoon van Ruysdael, 17e eeuw.

Het vee weidde tot de komst van het kunstmest, zo rond eind 19e eeuw, onder begeleiding van een herder op de ‘woeste gronden’, niet op biljartlakengroene weiden zoals wij die nu kennen, want die zijn feitelijk alleen mogelijk met de toevoer van grotere hoeveelheden (kunst)mest en zijn derhalve een zeer recente landbouwindustriële verschijning.

De schildering van Van Ruysdael toont een rustende herder met grazende koeien, schapen en geiten. Het zijn waarschijnlijk de dieren van meerdere eigenaren waarop hij past en die hij tegen het eind van de dag met zich mee terug voert naar het dorp. Het tafereel speelt zich waarschijnlijk dicht bij de nederzetting af. Dicht bij de boerderij zijn de landerijen wat meer in cultuur gebracht en opener dan verderop. Want links zien wij nog net een boerderij en midden op de achtergrond een ‘bleek’ en daar voorlangs een zandweg. Op de bleek ligt uitgespreid op het gras het wasgoed in de zon te drogen en te bleken.






Hudewaldsystemen zijn hier en daar nog in ononderbroken oorspronkelijke staat te aanschouwen in onder andere Russische platteland-gebieden en tot vóór het uiteenvallen van het Oostblok ook nog in landen als Polen en Albanië, maar is in beide laatste landen inmiddels ook niet meer aan te treffen. Het belangrijkste overgeleverde hudewaldsysteem is het ruim 20.000 hectare grote Zuid-Engelse New Forest. Vooral ook Duitsland heeft nog enkele zeer fraaie bossen van het hudewaldprincipe overgehouden. Borkener Paradies is er één van. Hudewalden zijn naar mijn mening op onze breedtegraad veruit de mooiste en compleetste cultuurlandschappen. Hier tref je, helaas nog op zeer beperkte schaal, de landschappen aan die onze oude meesters in de 17e en 18e eeuw zo fraai op linnen of plankjes schilderden.





In Borkener Paradies tref je bijzonder rijk ontwikkelde bosranden aan. Het is een netwerk van altijd veranderende mozaïeken van eilandjes bosopslag in het centrum, met tegen vraat beschermende doornige struiken er omheen.

Foto: © Stichting Kritisch Bosbeheer






Borkener Paradies ligt op oude zanderige rivierduinen, in de oksel van een afgesneden rivierarm de Ems, pal over de grens achter Hoogeveen. Borkener Paradies is op 31-07-1937 van boeren, die naar maatje XXL innoveerden, geleidelijk in overheidshanden overgegaan en op die dag formeel tot beschermd natuurreservaat verklaard. Ecologisch was Borkener Paradies toen nog ongeveer 78 hectare groot. In 1958 werd het oostelijk deel van zo’n 44 hectare ontgonnen waarbij ook enkele hectaren van het in 1937 bepaalde reservaat van 33,4 hectaren verloren gingen (Oosthuis 1980). Om dergelijke vergissingen verder uit te sluiten werd het reservaat omheind. Bij deze werkzaamheden is tevens in het reservaat een moeras op verzoek van de boeren ter voorkoming van leverbot gedemd (leverbotziekte - ook wel distomatose of fasciolosis genoemd - is een parasitaire ziekte die onder herkauwers voorkomt). Een aanvraag van de jachtpachter om de kolk in het centrum uit te baggeren ten einde deze als visvijver in te richten werd in 1976 afgewezen.

Tot 1985 werd het gebied nog door de oorspronkelijke weiderechten bezittende boeren gebruikt voor het weiden van vee (Markengemeinde Borken). Op het gebied rustte eeuwenlang het weiderecht van rond tien zogenaamde grootvee-eenheden. Dat komt overeen met zo’n 16 jonge runderen van tot twee jaar oud. Dit kwantum weiderechten werd altijd door de eigenaar-boeren jaarlijks onderling vastgesteld. Sindsdien regelt de overheid een vorm van gemengde begrazing die met dit aantal overeenkomt, soms meer, soms minder.

De nieuwe huidige eigenaar overweegt het gebied weer te vergroten met nieuw aan te kopen gronden. Die gronden zijn inmiddels allemaal geëgaliseerd, want de geaccidenteerde rivierduintjes werden voor een gemakkelijker gebruik vlak gemaakt en de bodems bevatten helaas door het agrarisch gebruik heel veel voedingsstoffen van onnatuurlijke herkomst. De bedoeling is om dat te herstellen om deze terreinen daarna weer aan het huidige Borkener Paradies toe te voegen en waarop dan natuurlijk hetzelfde oude beheer van natuurlijke begrazing, uiteraard zonder mestgiften, zal worden voortgezet.




De solitaire bomen, vaak eiken, omdat deze zeer gewild waren vanwege de voedselrijke eikels voor het vee - hebben in hudewaldbossen vaak relatief korte stammen met breed uitwaaierende takken.

Foto: © Stichting Kritisch Bosbeheer






Het gebied is slechts 33,4 hectare groot en bevat op dit kleine areaal rond 230 soorten wilde planten. Beeldbepalend zijn ook de diverse bloemrijke bosweiden, omzoomd en doorzoomd met bosrandvegetaties van vele kruidachtige planten tot diverse lichtminnende struik- en boomsoorten die zich vaak tegen de grazende bekken beschermen met stekels en waar binnen de beschermende mantel van de stekels zeer graag gegeten soorten veilig opgroeien als eik, hazelaar, linde, es, wilde appel, wilde peer, wilde kers, gelderse roos, wegedoorn, framboos, hulst, kardinaalsmuts, enkele haagbeuken, een paar zwarte populieren, enzovoort. Door het mooie samenspel van begrazing en regeneratie van struwelen van sleedoorn, meidoorn, rozen, enzovoort, gaan bos en grasland in vele gradaties in elkaar over. Dergelijke bosranden met mantel- of zoomvegetaties staan bekend om hun grote hoeveelheid bloeiende kruiden en hun rijke vlinder- en vogelbevolking. De grote structuurvariatie van het gebied geeft ruimschoots mogelijkheden voor ondermeer braamsluiper, grasmus, zwartkop, grauwe klauwier, nachtegaal (veel), buizerd, grote bonte specht, groene specht, wielewaal, boomklever, boomkruiper, boompieper, sprinkhaanrietzanger, houtsnip, torenvalk, ijsvogel, paapje en grauwe klauwier.

De oude bemoste eiken die er hier en daar in het gebied voorkomen, zijn bepaald indrukwekkend. Het zijn kenmerkende hudewaldbomen: korte zeer dikke stammen met wijde en ver reikende bijna horizontale takken, die een boom tot een echte boom maken. Vergelijk dit eens met de opgesnoeide groeivormen, bestaande uit lange staken en weinig kruin om maar van die verschrikkelijke ‘zuilvormige’ misbaksels die we steeds meer langs onze wegen aantreffen, te spreken. Deze vroeg vertakkende oude bomen met enorme kruinen zijn overigens van nature de broedplaatsen van bijvoorbeeld de ooievaar. Helaas is er nog maar 30 ha Borkener Paradies overgebleven, te klein voor soorten als ooievaar, of korhoen. Naast eiken vind je er ook essen en haagbeuken en soms een esdoorn, linde of gladde iep.

Het landschap is er zeer gevarieerd: grazige bosweiden, boszomen, bosjes, open begraasde rivierduintjes, verlandingszones en de overgangen daartussen, die het gebied een parkachtig karakter geven. Heel zelden nog wordt het gebied door de rivier overstroomd, hetgeen dynamiek met sedimenterende processen teweeg brengt. Vroeger overstroomde de Ems hier regelmatiger.

In dit halfopen parkachtig boslandschap krijg je een goed beeld van de invloed van grote grazers op de vegetatie. De sporen zijn er overal te herkennen. En natuurlijk de mens daarachter, hoe hij er zijn vee weidde en oude eiken vooral niet als kachelhout zag, maar integendeel als belangrijke voedselbron waar je eeuwen plezier van kon hebben: hoe ouder hoe rijker de mast aan eikels die zeer voedzaam zijn voor het vee. Maar ook het loof werd in historische tijden geoogst en bracht in gedroogde vorm het vee de winter door. We kunnen ons dat tegenwoordig niet zo gemakkelijk meer voorstellen, maar de bomen waren voor het vee soms belangrijker dan het gras. De laatste was eigenlijk vooral in het voorjaar en herfst attractief, de schrale zanderige bodems zijn zonder kunstmest maar beperkt productief, op de meer voedingsrijkere sedimenten van overstromend rivierwater is dat al een stuk beter. Later in het seizoen groeide in het voedselpakket het aandeel zaden, ook wel mast genoemd en waarvan eikels het meest gewild zijn, maar vooral het loof van bomen en struiken. Het wintervoedsel bestond veel uit afgesneden twijgen met loof die gedroogd de dieren door de winter hielpen.

Nog steeds gaan door het mooie samenspel van begrazing en regeneratie van struwelen van sleedoorn, meidoorn, rozen, enzovoort, bos en grasland geleidelijk in elkaar over. Dergelijke bosranden met mantel- en zoomvegetaties staan bekend om hun vele soorten en aantallen bloeiende kruiden die op hun beurt zorgen voor een rijke vlinder- en vogelbevolking. De vegetatie bestaat dus uit veranderende mozaïeken van open terrein, doornig struweel en bos. Op dit moment bestaat ongeveer eenderde uit bos en tweederde uit open ruimte als grasland en stuifzand. De bodems bestaan voor het grootste deel uit droge fijn (stuif)zand met lagere grondwaterstanden. Voor een klein deel uit vochtige, zwak lemige bodems, met hogere grondwaterstanden die, zij het door modern watermanagement steeds minder, periodiek onder water staan. Een klein deel van de bodems bestaat uit riviersedimenten.

Op weinig plekken beleef je het voorjaarsgevoel zo intens als in het Borkener Paradies in een door sneeuwwitte bloeiende zomen van sleedoorns bezwangerde zoete voorjaarslucht. Helaas wordt dit de laatste jaren verstoord door een steeds drukker wordende provinciale autoweg op de achtergrond. Het is met de landbouw ook het verkeer die via de neerslag voor onnatuurlijke en hoge bemestingen zorgt die tot soortenarmoede dwingt. Omdat het Borkener Paradies al heel lang gemonitoord wordt is inderdaad vastgesteld dat daardoor het spectrum wilde plantensoorten afneemt.



Een oude bemoste eik in Borkener Paradies begroeid met eikvarens. Foto: © Stichting Kritisch Bosbeheer







Jans, Luc (1994): Dode bomen - Levende Bossen: de mooiste natuurbossen. Stichting Kritisch Bosbeheer. Utrecht. Bladzijden: 145.

Lans, van der & Gerben Poortinga (1986): Natuurbos in Nederland - een uitdaging. Instituut voor Natuurbeschermingseducatie. Amsterdam. Bladzijden: 192.

Lardinois, Ruud. (2004): Bomen in het natuurbos. Stichting Kritisch Bosbeheer. Dieren. Bladzijden: 17. Een beschrijving van de bosreservaten Borkener Paradies, Hasbrucher Urwald, Neuenburger Urwald, Urwald Baumweg en een restant zeer oude beukenbomen van rond vier tot vijf eeuwen eeuwen uit een helaas verdwenen voormalig hudewald.

Oosthuis, Henk (juli 1980): Het Borkener Paradies: over de mogelijkheden van een vergelijking tussen Duitse en Nederlandse rivierlandschappen. Uitgever onbekend. Wageningen. Bladzijden: 50.