Artikel

Borkener Paradies-2


Borkener Paradies, mooie weilanden, met bloemen erin en vogels erboven.


Weidevogels,
totdat ze tot onze stomme verbazing verdwenen zijn;
onverklaarbaar.







Door: Gerben Poortinga

Dit artikel is eerder gepubliceerd in De Nije, nummer 10, 1982
Dit artikel is op 30-03-2010 geplaatst



Iedereen weet hoe gek ik ben met mooie weilanden, met de bloemen erin en de vogels erboven. Ik zal dan ook de laatste zijn om lelijke woorden te zeggen over de weidevogelreservaten. Als jongen van het platte land ben ik erg verknocht aan de sfeer van weilanden en ik kan uren in het gras zitten luisteren naar de tientallen verschillende vogelgeluiden. Het is natuurlijk heel aardig dat we nu veel geld en moeite opbrengen om bij de ruilverkavelingen enkele perceeltjes hooiland voor de vogels sparen.

De laatste eeuwen pas hebben we elke vierante meter grond in cultuur gebracht en het mag een wonder heten dat zoveel vogels zich daar nog bij hebben kunnen handhaven. Het instandhouden van vogelweiden kan alleen maar gezien worden als een noodoplossing óf als een vorm van milieu-tuinieren. Een integratie van natuur en landschap is het nauwelijks te noemen. Immers, als ik de exacte plaats van de vogelreservaten niet aangewezen krijg, weet ik deze kleine hoekjes niet te vinden, laat staan dat deze postzegelachtige hoekjes land tot mijn dagelijkse belevingssfeer zouden behoren. Hoe denken we deze manier van natuurbeheer vol te houden? Tien, honderd of tweeduizend jaar? De natuureilandjes worden dan heen en weer geslingerd tussen energiecrisissen en bedrijfsvernieuwingen. Dat gaat natuurlijk geen tweeduizend jaar goed. Maar ook geen twintig. Enkele vogeltjes vliegwielen nog wel even door, totdat ze plotseling tot onze stomme verbazing verdwenen zijn; onverklaarbaar.




Een artist's impression zullen we maar zeggen. Stelt u zich eens voor: we leven in 2010. We komen van veel weidevogels en gaan naar nog meer koeien. En dat is al héél mooi, die zichtbare koeien, want de meeste verkeren in 2010 niet meer op weilanden omdat die al na een halve dag zijn leeggevreten, maar verblijven levenslang in golfplaten schuren.

Foto: © Stichting Kritisch Bosbeheer






Het zou toch veel beter zijn om eens precies na te gaan wat in de oertijd het equivalent van de wei was? Laat men zich eens verdiepen in de behoeften van de vogels zelf. Wanneer men stil blijft staan bij de botte constatering dat in de wei van Piet Hettinga nog zoveel vogels zitten en dat dus alle weidevogelreservaten op dezelfde manier ‘beheerd’ moeten worden, dan heeft men een garantie voor een toekomstig fiasco. Heel vroeger werd er ook niet gemaaid, er werd alleen gegraasd. Heel extensief werd er gegraasd.


Het typisch open Friese landschap is er nog niet zo heel lang. Een korte blik op de kaart brengt ons op heel andere gedachten. In streken waar nu onze beste weidevogelgebieden zijn, vinden we de volgende plaatsnamen: Oldeholtwolde, Oldeholtpade, Heerenveen, Oranjewoud, Eernewoude, Houtingehage, Oosterwolde, Damwoude, Veenwouden, Suawoude, Woudsend, Ferwoude, enzovoort.

Hetzelfde verhaal vindt men in de Groninger weidegebieden. Heel Holland (Holtland of Houtland) is van nature geen hooiland, maar bos.


Het originele Friese landschap bestond dus uit kwelders, veen en bos. Niet het donkere paaltjesbos dat nu voor de houtteelt gepoot is, maar een zeer open bos en vol grazende dieren. Hier aten oerossen, wilde paarden, elanden en bevers. Deze dieren zorgden voor dunning in het bos. Door de begrazing werden ook weilandachtige situaties geschapen en in stand gehouden. Allicht vonden hier de weidevogels allemaal hun juiste milieu.

Onlangs ben ik met een provinciale natuurbeschermingsvereniging naar het Borkener Paradies geweest. Borkener Paradies is een gebied in Duitsland waar min of meer per ongeluk zo’n oorspronkelijke situatie is herschapen. Het natuurgebied is een stukje onland rond een afgesneden bocht in de Ems. Het is meer dan dertig hectare groot en er lopen twaalf Friese koeien en twee paarden. Deze dieren zien er blakend gezond uit, want er is natuurlijk genoeg te eten voor veertien beesten op dertig hectare. Ze kunnen het gewas dan ook lang niet op en er ontstaat een gevarieerd graaspatroon. Op plekken waar het minste gegraasd wordt slaan soms distels of sleedoorns op. In de bescherming van deze ruigten krijgen jonge eikjes kans om op te groeien. Er zijn zo allerlei bosjes ontstaan. Een subtiel evenwicht heeft zich zo tenslotte ingesteld tussen bosachtige stukken en open plekken, waarbij een bonte schakering van overgang-situaties is waar te nemen. Juist ook de kilometers lange zoomvegetaties en randstruelen bepalen de aparte waarden van het gebied. Elke situatie heeft zijn eigen specifieke kruidenvegetatie. Naast algemenere ruigtekruiden als akkerdistel, ridderzuring en brandnetel, vonden we er zeldzaamheden als torenkruid, wespenorchis en boslathyrus.

Er waren niet alleen weidevogels. Het stikte er ook van talloze zangvogeltjes als nachtegalen, fitis, leeuwerik, gele kwikstaart, zwaluwen, gekraagde roodstaart en nog veel meer om op te noemen. Zelfs de paardenkeutels verrijkten het gebied met mestkevers, melkinktzwam en slanke vlekplaat. Dit beheer kost geen benzine, geen machines, nauwelijks geld en er is bovendien bijna geen omkijken naar: kijken des te meer.




Een artist's impression. We schrijven eveneens 2010. Dit kunstwerk is vervaardigd naar de natuur, de natuur van het (Borkener) Paradies.

Foto: © Stichting Kritisch Bosbeheer